lezen In het wild

Nationaal Park De Biesbosch: een aangelegde wildernis

Bekijk Sluit

lezen In het wild

De Biesbosch is een uniek zoetwatergetijdengebied dat ontstond uit de eeuwige strijd tussen mens en water. Vandaag de dag broeden er vis- en zeearenden.

Datum
Auteur
Aart Aarsbergen
Fotograaf
Jasper Doest

Kijk daar, hoog in die boom!” Boswachter Thomas van der Es wijst naar boven, en in de verte ontwaar ik een nest. Thomas heeft zijn telescoop uitgeklapt. Door het oculair zie ik een visarend op haar eieren, de trots van de Biesbosch. Na het eerdere succes van een broedende zeearend, is er nu dus de visarend. Terwijl we staan te kijken vliegt het mannetje rond het nest. Hij wordt lastiggevallen door een groep kraaien die om hem heen cirkelen, maar na wat schermutselingen kan hij veilig landen. “Sinds 2014 overzomeren er al meerdere visarenden in de Biesbosch”, zegt Thomas. “Ze hadden zelfs nesten gebouwd, maar tot ­broedsel was het nog niet gekomen.”

De vogels foerageren in de visrijke ­geulen van de Noordwaard en Zuiderklip, waar ze volop brasems en ruisvoorns vangen. Ik tuur gebiologeerd door de telescoop wanneer ­Thomas me op de schouder tikt. “We hebben geluk deze morgen. Daar links in de verte vliegt een zeearend.” Het is een prachtig gezicht, de grootste roofvogel van Noord-Europa in volle vlucht, met zijn enorme, bijna rechthoekige vleugels. Totale spanwijdte: ruim twee meter. Zodra de zeearend, de toppredator van het gebied, zijn vleugels uitslaat, ontstaat er onrust bij alle vogels in de omgeving. “Geweldig toch, de visarend en de zeearend in vrijwel één oogopslag! Het laat zien hoe vitaal de natuur hier is”, zegt Thomas verheugd. 

De Biesbosch, een van de weinige zoetwatergetijdengebieden van Europa, ligt ten ­zuidoosten van Dordrecht en wordt begrensd door de Beneden-Merwede in het noorden, de Amer en Bergsche Maas in het zuiden en het Hollandsch Diep in het westen. Het is een groene wildernis in een stedelijk, door snelwegen ingesnoerd gebied, dat in 1994 de status van nationaal park kreeg en inmiddels 120 vierkante kilometer bestrijkt. Een uniek ruig landschap, dat het resultaat is van een eeuwenlange strijd tussen de mens en het wassende water. Vaak won het water, soms de mens. 

De Biesbosch in vogelvlucht. De Amercentrale in Geertruidenberg, links op de achtergrond, ligt ten zuiden van het nationaal park en is op veel plekken vanuit het park te zien. Er bestaan ideeën om Nationaal Park De Biesbosch samen te voegen met het Haringvliet om tot een groot zogenaamd Nationaal Park van Wereldklasse te komen, dat het hele Nederlandse deltagebied omvat.

De oorsprong gaat terug tot de vijftiende eeuw, toen bij een hevige storm een grote binnenzee ontstond. In de nacht van 18 op 19 november 1421 slokte het door de bulderende noordwesterwind opgestuwde zeewater een groot deel van het landbouwgebied de Groote of Zuidhollandsche Waard op. Bij deze catastrofale Sint-Elisabethsvloed ­werden veel ­dorpen en gehuchten weggespoeld en verdronken mogelijk duizenden mensen en hun vee. Lang nadat de storm was bedaard, staken alleen de kerktorens boven het verdronken land uit. Er ontstond een getijdengebied met een open verbinding met de zee. Het verschil tussen eb en vloed was waarschijnlijk anderhalf tot twee meter.

Stukje bij beetje eiste de mens het gebied weer voor zich op. Er werd op eenden gejaagd en naar zalm gevist. Door de enorme oppervlakte van het getijdengebied daalde de stroomsnelheid van het water en ontstonden er door opslibbing nieuwe zandplaten met vegetatie: biezen, naamgevers van het gebied, gevolgd door riet. Op de hogere grienden groeiden wilgen. De grienden rietcultuur kwam tot ontwikkeling. Wilgenplantages, door landarbeiders onder erbarmelijke omstandigheden bewerkt, brachten allerlei nuttige producten voort: bonenstaken, stelen, rijshout, manden, hoepels voor vaten. Uitgeputte grienden ­werden ingepolderd en als weidegrond geëxploiteerd. Medio negentiende eeuw was twee derde van de door de Elisabethsvloed ontstane binnenzee weer ingepolderd land. 

Aanhoudende wateroverlast leidde tot een grote waterbouwkundige ingreep: de ­aanleg van de Nieuwe Merwede (1861-’74). De kunstmatige rivierarm moest het water van de Beneden-Merwede en de Waal sneller naar het Hollandsch Diep afvoeren en de  nabijgelegen Alblasserwaard voor overstromingen behoeden. De Biesbosch werd door dit project in tweeën gedeeld: de Dordtse en Sliedrechtse Biesbosch werden van de Brabantse gescheiden. Bij de Kop van ’t Land vaart een veerpontje, de enige verbinding tussen de beide oevers van de Nieuwe Merwede. 

Knotwilgen langs de Ruigt. De jonge wilgentakken, het griendhout, zijn uit de bomen gekapt. De griendcultuur bood in het verleden werk aan veel landarbeiders. Hun leefomstandigheden waren zwaar. De griendwerkers verbleven doordeweeks in het gebied en woonden daar in primitieve hutten. Het hakken van griend gebeurde in weer en wind, het hele jaar door.

Hiermee was het water niet getemd, zo bleek minder dan een eeuw later. De watersnoodramp van 1953 betekende een nieuwe aanval van de woeste zee. Niet alleen grote delen van Zeeland kwamen tijdens de beruchte februaristorm onder water te staan, ook de Biesbosch liep onder. Door de vele inpolderingen was het gebied steeds minder een buffer voor het stijgende water gebleken. De watersnoodramp leidde tot de Deltawerken, die grote gevolgen hadden voor het karakter van de Biesbosch. Een imposant stelsel van dijken en andere waterbouwkundige voorzieningen moest West-Nederland beschermen tegen de gevaren van de zee. Met de voltooiing van de Haringvlietdam (1971) werd de Biesbosch van de zee afgesloten, waardoor het gebied een groot deel van zijn dynamiek verloor.

Het getijdenverschil beperkt zich sindsdien tot zestig tot zeventig centimeter in de Sliedrechtse Biesbosch en twintig tot dertig centimeter in de andere delen. Het landschap verwilderde: wilgenbossen schoten door, buitendijkse rietgorzen verruigden. De griendcultuur was reeds lang ter ziele gegaan door de opkomst van plastic en andere kunststoffen, en ook de vraag naar rijshout, gebruikt voor de waterbouw, was na de Deltawerken flink gedaald. Begin jaren zeventig werden in de Brabantse Biesbosch in een aantal voormalige polders drie grote spaarbekkens aangelegd om Rotterdam van beter drinkwater te voorzien dan het water dat uit de vervuilde Rijn werd gewonnen.

De kracht van de zee was met de Deltawerken beteugeld, maar daarmee was het gevaar van wassend water niet geweken. In de jaren negentig werden Rijn, Maas en Waal geteisterd door vervaarlijk hoge waterstanden als gevolg van langdurige regenval in grote delen van Europa. Begin 1995 werden 250.000 mensen uit Rivierenland in Gelderland geëvacueerd toen de dijken dreigden te bezwijken. Nieuwe maatregelen volgden snel. Het Deltaplan Grote Rivieren voorzag in een drastische tempoversnelling van dijkverzwaring en -ophoging. Dit leidde in de Biesbosch tot het afgraven van een aantal polders voor de kleiwinning ten behoeve van de dijkversteviging, zoals de Kort en Lang Ambacht en de Ruigten Bezuiden de Perenboom. 

Twee zwanen rusten op de drooggevallen zandbanken in De Bevert. Dit gebied in het noordoostelijk deel van de Brabantse Biesbosch herbergt een bijzondere combinatie van wilgenbos en polderland.

“Vroeger werd hier elk jaar gemaaid.” Ik struin met boswachter Jacques van der Neut in de Mariapolder door een zeker tweeënhalf meter hoge ruigte, over de resten van een oude dijk. “Dit is een van de eerste polders die hier aan de natuur werd teruggegeven”, vertelt hij. “We hebben in 1996 de planken uit de sluis verwijderd, en het water kon ongehinderd zijn gang gaan. Een ingreep van niks.” Jacques werkt al veertig jaar in De Biesbosch. Hij heeft de grote veranderingen van de laatste jaren van dichtbij meegemaakt. Met de Crex, een bootje van Staatsbosbeheer, vaart hij me naar de ­Sliedrechtse Biesbosch, waar we bij de ­Zoetemelkskil aan land gaan.

“Kijk, deze watervlakte is de voormalige polder Kort en Lang Ambacht. Die is afgegraven voor de kleiwinning en staat in open verbinding met de Beneden Merwede.” Het voormalige landbouwgebied is omgevormd tot een 220 hectare tellend waterrijk natuurgebied.

Wanneer ik later vanaf de Bandijk de lepelaars in de nieuwe natuur van de Noordwaard zie foerageren, realiseer ik me dat de Biesbosch een merkwaardige landschappelijke paradox vormt. Als je er doorheen vaart, door de sloten en kreken, ontmoet je een oer-Hollandse wildernis van riet, stromend water en schots en scheef staande, verwilderde wilgen- en andere bossen. In de nieuwe delen zie je slikken die bij vloed onder water verdwijnen en waar bij eb honderden vogels, eenden en steltlopers naar voedsel zoeken. Maar het is wat de schrijver en natuurliefhebber Kester Freriks ‘een beredeneerde wildernis’ noemt, “ontstaan op de tekentafel met behulp van geometrische en wiskundige instrumenten” (in zijn boek Verborgen wildernis, 2010). Het is een cultuurlandschap, in het verleden met mensenhand aangelegd en bij de laatste projecten door enorme bulldozers en draglines vormgegeven.

De ontpoldering van de Noordwaard – een polder onder Werkendam die in 1980 ontstond door samenvoeging van een aantal kleinere – is de voorlopige slotakte in de strijd tussen mens en water. De waterbeheerders realiseerden zich begin deze eeuw dat, mede als gevolg van de klimaatverandering, de strijd tegen het water niet is te winnen en dat we tot een vergelijk met het water ­moeten komen. We moeten het niet binnen steeds hogere dijken opsluiten, maar het de kans geven zijn weg te zoeken. De grondgedachte van het overheidsplan Ruimte voor de Rivier (2007) is de bergings- en afvoercapaciteit van de grote rivieren te verbeteren en de natuur in omliggend gebieden een stimulans te geven. 

In het uitgestrekte en avontuurlijke landschap van De Biesbosch ontstaat er weleens spanning tussen de natuurwaarde en het gedrag van recreanten. De jongens op jetski’s in het Gat van Kampen lappen de snelheidslimiet van negen kilometer per uur aan hun laars.

In 2009 werd begonnen met de ­ontpoldering van de Noordwaard, die van een omdijkte polder verandert in een buitendijks gebied. Er is een overloopgebied van 44,5 vierkante kilometer ontstaan, zo groot als zesduizend voetbalvelden, dat de afvoer van grote hoeveelheden rivierwater mogelijk maakt. De woningen en boerderijen in het gebied zijn op terpen geplaatst. In het doorstroomgebied en langs de herstelde kreken is er zo ruimte gecreëerd voor nieuwe natuur, een binnenlands waddengebied waar veel vogels voedsel kunnen vinden. 

Het hele project was voor de bewoners van de polder overigens een grote ingreep. Zo sprak manege-eigenaar Ad van den Broek namens veel bewoners toen hij bij de opleveringsplechtigheid in oktober 2015 tegen milieuminister Melanie Schultz van Haegen opmerkte: “Als je gedwongen wordt je bedrijf te verplaatsen, doet dat pijn. Het was voor ons bedrijf en voor ons gezin een hele zware periode.”

Aan het begin van de avond varen we met en fluisterboot vanaf het Biesboschcentrum Dordrecht over de Kikvorschkil langs de Huiswaardpolder. Links en rechts passeren we beverburchten, waar nog weinig activiteit is te bespeuren. Het is een fantastische avond: windstil en onbewolkt. De lucht neemt steeds diepere tinten rood aan naarmate de zonsondergang nadert. De vogels zingen uitbundig. In de avondzon zien we een bruine kiekendief. We horen de grote bonte specht, de rietgors, we ontdekken gaaien, aalscholvers en blauwe reigers. Maar het indrukwekkendst zijn de ijsvogels, die voor onze boot over het water scheren als een blauwe flits. Ze vliegen zo snel dat ik ze niet in het beeld van mijn verrekijker kan vangen. 

Het uitgestrekte landschap van de nieuw ingerichte Noordwaard. Een deel van de bewoners heeft dit inmiddels buitendijks liggende gebied verlaten. Anderen wonen op met terpen verhoogde boerderijen of woningen.

Ik kom voor de bever, het boegbeeld van het nationale park. De Biesbosch was het eerste natuurgebied in Nederland waar de dieren werden uitgezet. Tussen 1988 en 1992 werden 42 uit Oost-Duitsland afkomstige bevers vrijgelaten. De bedoeling was dat ze door hun bouwactiviteiten het griendlandschap meer variëteit zouden geven, zodat het ook voor andere kleine zoogdieren, amfibieën en insecten aantrekkelijk zou worden. De groei van de populatie kwam na enkele jaren goed op gang. “Er zijn nu drie- tot vierhonderd bevers in het gebied”, schat Jacques van der Neut. “Het dier is zo succesvol dat we het niet meer zo nauwkeurig hoeven bij te houden.”

We varen tot aan de Zoetemelkskil, de duisternis zet al in. Ineens hoor ik een plons. In het donker zie ik een witte streep door het water, het spoor van een zwemmende bever. Aan het begin van de streep steekt hij net zijn kop boven het water uit, zijn kleine ogen blinken. Dan verdwijnt hij onder water. Ik heb goed zicht op zijn vreemde, platte staart als hij voorover duikt.

Op de terugweg treffen we in de avondschemer, die het waterlandschap in een prachtige gloed zet, langs de oever diverse malen bevers aan. Ze zwemmen voor onze boot, op de oever zit een kleintje. Hun optreden is altijd van korte duur. Zodra ze ons gewaar worden, verdwijnen ze onder water en je weet nooit wanneer ze weer opduiken. Ondertussen wijst de gids naar een plek achter onze boot. Op de hoge oever slaat een ree ons gade. Wanneer ik zijn kant op kijk, verdwijnt het dier schuw in het duister. De laatste meters naar de haven bij het Bezoekerscentrum is het bijna donker.

Bovenstaande reportage verscheen in het oktobernummer 2016 van NatGeo Magazine. Op ons Instagramaccount @natgeonl delen we deze week extra beelden die natuurfotograaf Jasper Doest in de Biesbosch maakte.

Het icoon van De Biesbosch is de bever. In 1988 werden de eerste bevers in het gebied uitgezet; momenteel leven er naar schatting van de boswachters zo’n drie- tot vierhonderd binnen de grenzen van het nationaal park.

Bekijk ook

Ads for you!

Beste bezoeker,

We zien dat je waarschijnlijk een adblocker of andere software gebruikt die onze banners ontregelt.
Dat vinden we jammer, hiermee missen we inkomsten voor onze site die we hard nodig hebben.
Merk daarom onze site als 'veilig' aan en volg deze instructies.

Dankjewel voor je tijd.
National Geographic Nederland/België

Sluiten